Leiderschap vraagt keuzes: over klimaat, recht en geloofwaardigheid. Een gesprek tussen Marijn Kingma (managing partner Höcker Advocaten) en Menno Ong (partner Colourful People)

Op 22 april was het Earth Day. Reden voor Colourful People om stil te staan bij duurzaamheid, maatschappelijke verantwoordelijkheid en de rol van leiderschap daarin. Menno Ong, partner bij Colourful People en verantwoordelijk voor onder meer de juridische sector, ging in gesprek met Marijn Kingma, managing partner van Höcker Advocaten en betrokken bij enkele van de meest spraakmakende rechtszaken op het gebied van klimaat en milieu van het afgelopen decennium. 

Een commercieel kantoor met maatschappelijke ruimte

Marijn en Menno kennen elkaar al sinds Marijn ruim dertien jaar geleden begon bij Höcker Advocaten, waar Menno toen werkte als kennismanager en later als directeur. “Het is een commercieel kantoor, maar wel een kantoor dat ooit begonnen is met een sociale achtergrond. Het heeft altijd die maatschappelijke betrokkenheid behouden”, aldus Marijn.

Dat zie je ook terug in haar praktijk. Ze is begonnen als advocaat intellectueel eigendomsrecht en media, maar inmiddels bestaat bijna de helft van haar werk uit zaken die zij zelf typeert als algemeen belangzaken.

Menno vraagt haar wanneer voor haar duidelijk werd dat haar werk ook bredere maatschappelijke impact moest hebben. “Die drijfveer was er al vroeg. Ik ging rechten studeren vanuit een sterk rechtvaardigheidsgevoel. De Urgenda-zaak wakkerde dat gevoel verder aan.”

Menno Ong links, Marijn Kingma rechts

Urgenda: de eerste grote klimaatzaak

Marijn raakte in 2017 betrokken bij de Urgenda-procedure, in de fase van het hoger beroep. “Koos van den Berg was vanuit Höcker het brein achter deze zaak”, zegt ze. “Ik speelde niet meer dan een bijrol, maar ik heb hem geholpen in de hogerberoepsfase en later bij de Hoge Raad.”

Op verzoek van Menno zet ze uiteen waar de procedure juridisch om draaide.
“Urgenda stelde de Nederlandse Staat aansprakelijk omdat die te weinig deed om gevaarlijke klimaatverandering tegen te gaan. Daarbij werd aangesloten bij de internationale klimaatwetenschap, in het bijzonder de IPCC-rapporten. Die rapporten laten onder meer zien welke reductiescenario’s er zijn om onder de kritische grens van twee graden opwarming te blijven”, legt Marijn uit.

Voor westerse landen gold volgens die internationale consensus dat de uitstoot van broeikasgassen in 2020 met 25 tot 40 procent moest zijn gereduceerd ten opzichte van 1990. Urgenda liet zien dat Nederland met het bestaande beleid die ondergrens niet zou halen en vroeg de rechter daarom om een bevel op te leggen aan de Staat.

“De rechtbank heeft toen gezegd: die 25 procent is het minimum. Als de Staat dat niet haalt, handelt hij onrechtmatig. In hoger beroep is dat vonnis bekrachtigd en heeft het hof geoordeeld dat het onvoldoende handelen van de Staat ook een schending van mensenrechten is. En de Hoge Raad heeft die lijn bevestigd.

De uitspraak van de Hoge Raad was baanbrekend, en heeft geleid tot tientallen klimaatzaken in landen over de hele wereld. Daarnaast heeft de uitspraak enorm veel maatschappelijke aandacht gegenereerd voor het gigantische probleem van klimaatverandering.”

De uitspraak van de Hoge Raad was baanbrekend, en heeft geleid tot tientallen klimaatzaken in landen over de hele wereld.

Pesticiden en de grenzen van veiligheid

Vanuit Urgenda maakt Menno de stap naar een andere zaak waar Marijn aan werkt, die gaat over gebruik van pesticiden. 

Marijn: “De zaak draait om een perceel naast een woonwijk in Sevenum (Limburg) waar een teler lelies wilde gaan telen. Op lelies worden grote hoeveelheden pesticiden gespoten, veel meer dan in bijvoorbeeld de voedselteelt. GGD-richtlijnen zeggen dat je bij bespuiting binnen moet blijven en ramen en deuren moet sluiten. De omwonenden schrokken hier enorm van, en wilden de teelt voorkomen. Toen dat niet lukte zijn zij een kort geding begonnen.”

Wat deze zaak volgens haar juridisch en maatschappelijk relevant maakt, is dat er op essentiële punten hiaten bestaan in de toelatingsprocedure voor bestrijdingsmiddelen. “De bestrijdingsmiddelen die de teler wilde gebruiken zijn gewoon toegelaten. Maar op bepaalde punten is in de toelatingsprocedure geen verplicht onderzoek voorgeschreven: neurodegeneratieve aandoeningen zoals Parkinson, ALS en Alzheimer, neuro-ontwikkelingsproblematiek bij jonge en ongeboren kinderen en het cocktaileffect van verschillende middelen samen. Dan kun je dus eigenlijk niet zeggen dat het veilig is”, zegt ze. 

“De juridische inzet van de procedure is dat het onder deze concrete omstandigheden onrechtmatig is om pesticiden te spuiten op lelies. De woningen liggen soms op tien meter afstand van het perceel. Uit onderzoek van het RIVM blijkt bovendien dat tot 250 meter van percelen waar pesticiden worden gespoten verhoogde residuen worden teruggevonden in onder andere huisstof, tuinen en urine. De blootstelling staat dus vast; onzeker is vooral wat de gevolgen daarvan zijn, juist omdat die op onderdelen niet goed zijn onderzocht. Mijn cliënten hebben betoogd dat het in die omstandigheden niet aanvaardbaar is om dan toch zo dicht bij woningen deze hoeveelheden pesticiden te gaan gebruiken.”

De voorzieningenrechter is in die redenering meegegaan en heeft het gebruik van pesticiden voor lelieteelt op dat perceel verboden. Het Hof Den Bosch heeft dat oordeel grotendeels bekrachtigd. De zaak ligt nu bij de Hoge Raad.

Net als bij Urgenda benadrukt Marijn dat de betekenis van de zaak verder reikt dan het individuele geschil. “Formeel gaat het om één perceel, maar maatschappelijk raakt het aan een veel breder vraagstuk. Er is veel meer aandacht gekomen voor het probleem van pesticiden.”

Je mag best een flinke stap naar voren zetten, ook als de organisatie daar nog niet helemaal voor honderd procent is, om iets in beweging te brengen.

De wisselwerking tussen professioneel en persoonlijk

Vanuit die milieuzaken verschuift het gesprek naar de vraag in hoeverre werk doorwerkt in persoonlijke overtuigingen en keuzes.

Marijn vraagt Menno in hoeverre zijn professionele leven doorwerkt in zijn privéleven.

Menno: “Dat ervaar ik heel sterk. Niet alleen als het gaat om klimaat en milieu, maar ook op het vlak van diversiteit en gelijkheid.”

Dat bewustzijn nam hij mee in zijn vorige functie, bij een organisatie die innovatieve bedrijven adviseert over de bescherming van hun uitvindingen. Toen hij daar begon, zag hij al snel twee opgaven. “De eerste had te maken met de inhoud van het werk: een organisatie die zich bezighoudt met technologische innovatie heeft volgens mij ook een kerntaak in de energietransitie en vergroening. De tweede opgave zat in de samenstelling van de organisatie. Het was een bureau met veel ingenieurs, voor het overgrote deel mannen. Er werkten ongeveer 120 mensen, van wie tien partners, en die tien partners waren allemaal man.”

Toen hij daar vertrok, was op beide punten het roer om. Er was een eerste vrouwelijke partner benoemd en er stond veel meer vrouwelijk talent klaar.

Voor de troepen uitlopen, maar niet voor de bühne

Op de vraag hoe hij die verandering voor elkaar kreeg, antwoordt Menno:
“Dat begon met veel praten, maar daar bleef het niet bij. Je moet als leider soms ook een stap naar voren zetten.”

Dat brengt het gesprek bij ESG en greenwashing. Menno formuleert daar een duidelijke visie op. Hij vindt dat een leider van een organisatie best voor de troepen uit mag lopen. “Je mag best een flinke stap naar voren zetten, ook als de organisatie daar nog niet helemaal voor honderd procent is, om iets in beweging te brengen.”

Hij noemt als voorbeeld dat hij bij zijn vorige bedrijf op enig moment gewoon heeft aangekondigd: wij zijn een kantoor van vergroening. “Dat waren we op dat moment nog niet helemaal, maar door het zo neer te zetten, mensen erin mee te nemen en uit te leggen waarom het belangrijk is, kun je wel degelijk verandering forceren.”

Tegelijkertijd maakt hij een scherp onderscheid met greenwashing. Dat wordt in het gesprek expliciet gemaakt door Marijn, die het spanningsveld benoemt: “Wanneer is het legitiem om ambitieus te communiceren, en wanneer slaat het om in iets dat misleidend wordt?”

Menno is daar helder over. “Als er sprake is van een oprechte wens tot verbetering, dan mag een leider vooruitlopen. Maar als een organisatie alleen voor de buitenwereld doet alsof, terwijl de feitelijke praktijk niet verandert, dan is dat kwalijk. Dan is het voor de bühne.”

Die oprechtheid moet volgens hem ook zichtbaar worden in concrete keuzes.
“Soms moet je, hoe moeilijk dat ook is, afscheid nemen van klanten die niet passen bij een groene koers. Niet ongenuanceerd of van de ene op de andere dag, maar wel bewust.”

Juist in grotere organisaties is het van belang dat dit soort uitkomsten niet alleen toevallig ontstaan, maar voortkomen uit beleidskeuzes die deugen.

Diversiteit als onderdeel van organisatieontwikkeling

Over de tweede opgave vervolgt Menno: “De organisatie had sterke kenmerken van een “witte cis-heteromanwereld”. Er moesten meer vrouwen komen, meer mensen met een migratieachtergrond en meer verschillende perspectieven.”

Volgens hem leidde die verandering niet alleen tot een andere samenstelling van de organisatie, maar ook tot andere inzichten. “Als er meer vrouwen binnenkomen, wordt er ook op een andere manier gedacht, en dat beperkt zich echt niet alleen tot maatschappelijke onderwerpen. Dat had vervolgens weer effect op de inhoudelijke koers en op de typen klanten en technologieën waarop wij ons richtten.”

Toen zijn werk daar ten einde liep, ging hij nadenken over wat hij daarna wilde doen.
“Wat ik altijd leuk heb gevonden, is mensen zoeken die aan dat soort doelstellingen kunnen bijdragen.” Bij Colourful People vond hij een omgeving waar die discussie niet meer eerst gevoerd hoefde te worden. “Daar zit het in het DNA.”

In het gesprek komt ook de diversiteit binnen Höcker aan bod. “Sinds 1 april is de verhouding binnen de partnergroep fifty-fifty: er zijn recent twee vrouwen toegetreden, waardoor er nu evenveel mannen als vrouwen zijn. Daar ben ik heel blij mee. Onder medewerkers zijn er meer vrouwen dan mannen”, aldus Marijn. Tegelijkertijd is ze ook eerlijk over de oorzaak daarvan. “Wat er nu staat, is voor een belangrijk deel ook het gevolg van toeval en niet van een strak doordachte strategie. Daarnaast is het kantoor behoorlijk wit en zou er meer diversiteit in achtergrond moeten zijn.” 

Daar haakt Menno op in: “Juist in grotere organisaties is het van belang dat dit soort uitkomsten niet alleen toevallig ontstaan, maar voortkomen uit beleidskeuzes die deugen.”

Hoe krijg je organisaties mee?

Vanuit die constatering stelt Marijn een vraag aan Menno die direct raakt aan de actualiteit: “Hoe krijg je organisaties mee in een tijd waarin diversiteit, mede onder invloed van Trump en populistisch rechts, voor sommige mensen bijna een vies woord is geworden? En hoe doe je dat zonder meteen een ‘woke’ stempel te krijgen?”

Menno’s antwoord is pragmatisch. “Colourful People wil in de eerste plaats kwaliteit leveren. Diversiteit is voor ons essentieel, maar richting klanten moet het gesprek niet moralistisch worden gevoerd. Het is niet alleen ‘the right thing to do’, maar ook gewoon slimmer.” Daar verwijst hij naar onderzoek waaruit blijkt dat divers samengestelde organisaties beter functioneren en ook financieel beter presteren.

Leiderschap vraagt keuzes

Wat in het gesprek van Menno en Marijn terugkomt, is dat maatschappelijke verantwoordelijkheid niet begint bij grote woorden, maar bij concrete keuzes. Juist daar raken ESG en leiderschap elkaar. Niet in abstracte beleidsstukken of reputatietaal, maar in de vraag of bestuurders en leiders bereid zijn om positie te kiezen. Om voor de troepen uit te lopen als dat nodig is, maar niet voor de bühne.