Schaatser Stefan Groothuis werd dit jaar vierde op het WK sprint in Heerenveen. Het deed hem verzuchten: 'Waarom toch steeds weer vierde?'. Waarbij hij onder andere refereerde aan de vierde plaats behaald op de 1.000m tijdens de Olympische Spelen van Vancouver. Prachtige plaats toch, de meeste schaatsers moeten het met minder doen en hij was ook nog de beste Nederlander, wat wil je nog meer? Ach, ik begrijp het wel, liever één keer een bronzen plak (of liever nog zilver of goud) dan twee keer vierde. Met daarbij waarschijnlijk steeds wisselende schaatshelden boven jou, die de drie begerenswaardige medailles omgehangen krijgen.
Hetzelfde lot lijkt het thema diversiteit beschoren. Al meerdere jaren staat zowel gender als culturele diversiteit op een denkbeeldige plaats nummer vier in de prioriteitenlijst van overheden, bedrijven en NGO's. Als heel belangrijk, maar niet urgent, staat het thema op de strategische agenda. Soms ondersteund met een convenant, dan weer met afspraken met de bonden, of een enkele keer zelfs met een quotum. Toch leert de praktijk ons en daarbij inmiddels ook gesteund door nogal wat wetenschappelijk onderzoek, dat er helaas niet veel van terecht komt. Andere en steeds wisselende prijswinnaars in de strategische top drie krijgen de voorkeur.
Toch kan het niet lang meer duren voor diversiteit in de prijzen valt. Een simpele analyse van zowel demografische gegevens als van instroomcijfers aan mbo, hbo en universiteit laat zien dat diversiteit (of variëteit zoals de rijksoverheid dit thema nu eufemistisch noemt) al lang geen sociaal wenselijk of mooi maatschappelijk thema is, om als organisatie goede sier mee te maken. Nee geachte officials, scheidsrechters en ijsmeesters in organisaties: diversiteit is een ware business case geworden, een noodzaak om ook op termijn toptalenten aan uw organisatie te kunnen binden. Ik wens u tijdens dit voorjaar en de komende zomer een goede voorbereiding op het schaatsseizoen.









